Wagenborg koopt Badhotel Schiermonnikoog

DELFZIJL

Royal Wagenborg is een koninklijk bedrijf met een breed scala van activiteiten, dat in 1898 werd opgericht door Egbert Wagenborg (1866-1943). Onder diens leiding werd 99 jaar geleden een wat merkwaardige aankoop gedaan, het Badhotel Schiermonnikoog.

Het bedrijf wordt thans in de vierde generatie geleid door de achterkleinzonen Egbert Vuursteen (CEO) en Rob Wagenborg (lid Raad van Commissarissen).

Iets van die uitwaaiering, zij het in een notendop, was vanaf de aanvang reeds aanwezig. Wat bijvoorbeeld te denken van een scheepvaart- en expeditiebedrijf, sleepdiensten, passagiersdiensten op onder andere Emden, Borkum en Norderney, een Badhotel op Schiermonnikoog, een maatschappij tot exploitatie van zeebaden, en niet te vergeten een Schuitenvaarders Vereniging, een in 1653 opgerichte, dagelijkse beurtdienst vanuit Delfzijl op Groningen v.v.

Hoe kwam Egbert Wagenborg er toe om in 1919 het voor die tijd chique en luxueuze Badhotel met zestig ‘luchtige’ kamers, badkamers, ruime conversatie-, biljart-, rook- en eetzalen te kopen van de Graaf Van Bernsdorf, de toenmalige eigenaar van Schiermonnikoog? Had het mogelijk te maken met het Duitse bankpapier, dat na 1914-1918 haast als confetti door de straten van de Duitse steden dwarrelde? Hoe het ook zij, Egbert Wagenborg kocht het grote hotel, waagde de sprong en stond er ook nog persoonlijk borg voor. Kort na de aankoop stonden de strandstoelen en de badhokjes op het strand aan het einde van wat destijds nog echt en reëel de Badweg heette!

Bij een bad hoorde uiteraard een badmeester en ook hiervoor had Wagenborg een fijne neus. Hij benoemde de heer List (deze zou later een strandpaviljoen exploiteren op de plaats waar thans het restaurant De Zeester staat). List was namelijk bij de zedenpolitie geweest, had daar zijn sporen verdiend en zette zijn kwaliteiten bij het in dienst treden als badmeester in bij de delicate vraag van wat wel en niet kon.

Speciale aandacht had de badkleding en dan met name aan de vloedlijn en in de duinen. Deze zaken waren uitermate belangrijk, want was het niet zo dat zelfs aan het eind van de jaren veertig (!) op het grootste waddeneiland zeven pastoors en dominees zich bogen over de acute vraag hoe groot, of liever gezegd hoe klein, een badpak mocht zijn. De oudste van de Godsdienaren bleek de wijste te zijn met de conclusie: ‘Laat ieder maar zijn eigen pakje dragen!’ Op dít stuk van zaken wist badmeester List in veel langer vervlogen tijden geducht van wanten. Zijn activiteiten op het zedelijkevlak strekten zich uit over een vrij groot terrein, namelijk van de vloedlijn tot enkele honderden meters in de aanpalende duinen. Men moet niet vergeten dat in het begin van de jaren twintig tweemaal omgeslagen zomen van de gebruikelijke broekspijpen op het hyperzedelijke niveau lagen; bij de vloedlijn vond List een badpak normaal, uiteraard met wel wat meer vierkante centimeters textiel dan tegenwoordig, maar o wee als er met datzelfde badpak een slippertje werd gemaakt richting de duinpan. Dan viel de badgast zonder pardon in de armen van de wrekende gerechtigheid van List. Hij stond z’n mannetje, en ook z’n vrouwtje. Het Badhotel was niet voor niets een chique hotel en dat moest zo blijven. Buiten het strand moesten de gasten van het hotel decent gekleed gaan! Wat dit betreft kon Egbert Wagenborg de zeebaden rustig aan List toevertrouwen.

Ofschoon Egbert Wagenborg niet van een adellijk geslacht is – genealogie leidt evenwel soms tot verrassende resultaten die het blauwe bloed binnen handbereik brengen – leiden bij hem vage sporen in de richting van onder de rook van Delfzijl gelegen dorp Wagenborgen, dat getuige oude kaarten, in de middeleeuwen nog in het enkelvoud werd geschreven. En dan toch … ‘borg’ …, je weet maar nooit! Persoonlijk was Egbert Wagenborg, met zijn voorliefde voor Multatuli en de leefgemeenschap ‘Walden’ van Frederik van Eden in de buurt van Bussum, echter de mening toegedaan dat alle bloedgroepen gelijkwaardig waren.

En zo had hij zich toch ook een beetje verkeken op de geheel grafelijke ambiance van het Badhotel. Want toen hij eens een werkbezoek aan het hotel kwam brengen, raakte hij als man van schuimkoppen en zeewier, een beetje van zijn stuk. Hij zag dat de gehele staf en personeel in vol livrei bij aankomst voor hem in de houding sprong! Het zou echter Egbert Wagenborg niet zijn geweest als hij zich niet onmiddellijk had vermand met de rake opmerking: “Mooi zo jongs, en nou mor gaauw weer aan t waark!”


Auteur

Henk Zuur